Je kunt tekst op je scherm selecteren om ze hardop te laten voorlezen

Angst- en pijnbestrijding bij kinderen

Hoe trauma kan worden voorkomen bij kinderen

Focustaal: hulpmiddel voor zorgverleners en ouders

Als je mensen vertelt dat iets pijn gaat doen, dan gáát het ook pijn doen. Ieder volwassen mens zal dat uit eigen ervaring herkennen. En dan zijn er altijd nog mensen met prikangst. Maar hoe zit dat met kinderen die bijvoorbeeld een (bloed)prik krijgen bij de dokter, of bij wie het wegnemen van schilfers of een huidbiopt nodig is? Hoe te voorkomen dat een kind een trauma oploopt? Alles is immers de eerste keer voor een kind in de reis naar volwassenheid. “Een kind is nu eenmaal geen kleine volwassene”, zegt Elodie Mendels stellig. Zij is als kinderdermatoloog verbonden aan het Erasmus MC in Rotterdam.

Mendels schetst allereerst de context. “Angst en pijn kunnen kinderen een trauma bezorgen. Daarom moet pijn en angst vermijden bij kinderen net zo’n belangrijk doel zijn als de medische verrichting zelf.”

Hoe kunnen we de zorg voor kinderen traumavrij krijgen?
“Waar het allemaal om draait, is het creëren van vertrouwen. Patiënten die vertrouwen hebben in hun behandeling en behandelaar ervaren namelijk minder pijn en stress, genezen sneller, hebben minder traumatische herinneringen en behouden ook vertrouwen in de zorg.”

“Pijn, angst en stress tijdens medische verrichtingen zijn in de meeste gevallen te voorkomen. Om dit te bereiken zijn er tal van verschillende technieken beschikbaar, maar deze moet je dan wel op de juiste manier, op het juiste moment en in de juiste situatie inzetten. Die technieken grijpen in op drie zaken: pijn (bijvoorbeeld door pijnverlichting met medicatie), angst (angstvermindering bijvoorbeeld door goede informatie en voorbereiding, het managen van verwachtingen en het organiseren van voorspelbaarheid en het vermijden van onverwachte gebeurtenissen), en focus (waaronder het verleggen van focus zodat minder angst en pijn optreden door bijvoorbeeld een ontspanningsoefening, spelletje of digitale afleidingsmiddelen). Het gaat dus niet om het toepassen van een trucje. Het is een meerledige aanpak die op korte termijn comfort tijdens en succes van een handeling beoogt, en op lange termijn behoud van vertrouwen van kind en ouders in de zorg(verlener).”

Ook ouders zijn heel belangrijk in het creëren van vertrouwen en kunnen iets wezenlijks bijdragen aan de traumavrije zorg voor kinderen, samen met de artsen. Mendels zoomt in op ‘focustaal’ als instrument voor ouders en zorgverleners: “Focustaal is een heel praktische techniek en ouders kunnen die meteen toepassen.”

Focus op taal

“Iedereen doet zijn uiterste best om goed te communiceren”, stelt Mendels, “daar ben ik van overtuigd. Maar niet elke aanpak leidt tot het gewenste resultaat van geruststelling. Goedbedoelde adviezen kunnen namelijk ook verkeerd uitpakken. Met als effect dat dokters en ouders de angst van een kind niet kleiner maken of wegnemen, maar die angst en de pijn juist versterken.”

Noem eens een paar verkeerde benaderingen?

“Het gebruik van dwang – fysiek en psychologisch – om het verzet van een kind tegen een verrichting te onderdrukken, wordt nog vaak toegepast. En dat is natuurlijk nooit goed voor een kind. Voorbeelden van andere aanpakken die verkeerd kunnen uitpakken: het geven van onjuiste informatie (‘het duurt maar 10 seconden’), het aftellen tot aan een prik (‘3, 2, 1, daar komt de prik!’) of totdat de prik eruit is (‘we zijn bijna klaar, zullen we samen aftellen vanaf 10?’), of excuses aanbieden (‘sorry hoor, dit is echt even gemeen’). Dit zijn allemaal klassieke voorbeelden die mensen vaak gebruiken, overigens vanuit goede bedoelingen.”

Hoe kan – en moet – het anders?

“We moeten de focus verleggen. Hoe? Door andere taal te gebruiken en een andere houding aan te nemen. In vakkringen heet dit ‘focustaal’. Een aanpak die men al lange tijd gebruikt in ontspannings- en afleidingstechnieken. De nadruk ligt op positieve geruststelling en zo kan men door de woordkeuze de aandacht van de patiënt verleggen. Je haalt als het ware de negatieve lading en woorden uit een gesprek. Dat woordkeuze een positief effect kan hebben op de beleving van angst en pijn, is geen hogere wiskunde. Deze positieve effecten zijn inmiddels uitgebreid bevestigd in de wetenschappelijke literatuur.”

Mendels noemt enkele voorbeelden. “Door het toepassen van ander taalgebruik treden er bijvoorbeeld 40% minder onderbrekingen op van MRI-onderzoek, waar veel mensen met lichte claustrofobie bang voor zijn. Daarnaast gaan verschillende behandelingen sneller doordat patiënten minder angstig en gespannen zijn en ervaren patiënten meer vertrouwen in de zorg.” Het lijkt op het eerste gezicht makkelijk maar “het vergt enige oefening. Dat is de moeite waard want er is een wereld te winnen.”

Klassiek spiegelen

“Een ander effectief middel is het zogenaamde spiegelen van de patiënt als non-verbale communicatie. Als de zorgverlener de lichaamshouding overneemt van de patiënt, voelt de patiënt zich onbewust meer begrepen. Spiegelen laat zien dat mensen sneller in contact komen en zich meer begrepen en prettiger voelen. Dit kan dus helpen in bepaalde situaties. Ook als dit betekent dat ik even naast het kind moet gaan zitten met de benen bungelend over de rand van de onderzoeksbank.”

Haar slotakkoord: “Huidingrepen zonder angst en pijn zijn echt mogelijk. En het mooie is: we kunnen het allemaal. Het zit namelijk in ons als mens: begrip, respect, empathie en vertrouwen.”

“Waar het allemaal om draait, is het creëren van vertrouwen.”

Positieve focustaal: wel en niet doen

Voorbereiding

  1. Kennismaken en taalgebruik op ontwikkelingsniveau van het kind.
  2. Is het kind voorbereid? Zo ja: Vraag het kind aan u uit te leggen wat het weet of eerder heeft ervaren. Zo nee: Vraag of er behoefte is aan voorbereiding en welke woorden ouders eventueel geven aan handelingen en materialen.
  3. Als het kind is voorbereid: Vraag uit of het kind behoefte heeft aan monitoring of ‘blunting’.
    Monitoring: het kind wil graag weten wat er gebeurt. Betrek het kind in de handeling. Leg uit wat er gebeurt.
    Blunting: Het kind wil graag worden afgeleid tijdens de handeling. Vraag uit op welke manier en kijk hoe dit vorm gegeven kan worden.
Wel doen Niet doen
Bijvoorbeeld: ‘We gaan zo een stukje huid wegnemen. Vind je het fijn als ik vertel hoe we dat gaan doen?’
Zo ja: ‘Eerst krijg je een pleister met zalf die de huid verdooft {Let op inwerktijd Emla; 60-90 min; Rapidan; 30-45 min} [2] op de plek waar we het stukje huid gaan wegnemen. Dan ga je met (… mamma – pappa etc.) wachten in de wachtkamer. Over (… een half uur) haal ik je dan weer op. Dan zal ik je vertellen wat we daarna gaan doen.’ OF: ‘Daarna brengen we nog extra verdoving in de huid. En dan nemen we het stukje huid weg. Je zult zien hoe goed we dit samen kunnen’ (vertrouwen wekken).
Bijvoorbeeld: ‘We gaan zo een huidbiopt nemen met dit appelboortje. Dat is maar heel klein. Zie je? Eerst krijg je dan een prikje. Dat voelt een beetje branderig/pijnlijk aan. Dan tellen we samen af. Daarna is de huid verdoofd en dan nemen we het biopt. Soms doet dat nog een beetje pijn, maar het valt eigenlijk wel mee.’
‘Wil je bij mamma/pappa/ … op schoot zitten als we (het huidstukje weghalen/het medicijn geven/schilfers weghalen/ …) of wil je op de bank liggen?’ {Geef het kind niet de keuze óf we het gaan doen, maar hóé het gaat gebeuren. Het kind ervaart dan een stukje regie en vertrouwen.} Het kind dwingen om op de onderzoeksbank te gaan zitten:
‘Kom, zullen we het nu gaan doen?’ Veel gehoord antwoord: ‘Nee, ik wil niet!’
‘Het is zo gebeurd, dus kom maar.’
‘Pietje, wat moet, dat moet/ik doe je geen pijn/het is even vervelend, maar het is zo klaar/kom, er zijn meer kinderen aan het wachten en die wachten allemaal op jou/ik heb niet de hele dag de tijd/ik heb toch beloofd dat ik je geen pijn zou doen/je bent toch een heel stoer(e) jongen meisje, dus kom dan doen we het nu.’
‘Je kunt het prettig vinden om te zitten of te liggen.’ {toegeeflijk taalgebruik} ‘Ga zitten of liggen.’ (sturend taalgebruik)
‘Wil je meekijken met wat we (zo direct gaan) doen of vind je het fijner om iets te doen als wij bezig zijn/het medicijn geven / ….?’
{Als het kind het fijner vindt om iets te doen (blunting) kun je bijvoorbeeld iets laten kiezen uit een kist met ‘afleidings-objecten’, zoals een zoekboek, een toverstaf, bellenblaas, digitale afleidingstechnieken etc. Ouders hebben vaak goede eigen ideeën voor afleiding}
‘Ben je bang voor prikken? Dan zou ik niet meekijken!’

‘Maak je maar geen zorgen!’

‘Het valt allemaal reuze mee!’
‘Je hoeft alleen maar te ontspannen!’

Tijdens verrichting

Wel doen Niet doen
‘Omdat je zo goed stilligt, kan ik … goed doen.’ ‘Het duurt maar even’
‘Fijn dat je zo stilligt, dan is het onderzoek sneller klaar.’ ‘Je mag niet bewegen, dan mislukt …‘
‘Ik ben benieuwd hoe goed jij stil kunt liggen.’ ‘Probeer stil te liggen’ (hoeft dus niet te werken).
Koppel het geven van de prik aan de uitademing (bijvoorbeeld bij bellen blazen). Toestemming vragen (‘Mag ik je de prik geven?’). Waarschuwen voor de prik (‘Komtie hoor!’) en tellen leidt tot meer angst en pijn.
‘Ik ben benieuwd hoe snel en/of goed bij jou de medicijnen/verdoving gaan/gaat werken’/’Je zult zien hoe snel je arm weer goed voelt.’ ‘De prik doet maar even zeer.’
‘Ik ga jou nu de verdoving geven én dan …’ ‘De prik is niet leuk, maar dan kan ik zonder pijn het huidstukje nemen.’ (maar doet iets teniet en dat blijft hangen).
‘En omdat je nu… (iets positiefs) zal je merken dat …’ ‘Maak je niet zo druk!’
‘En terwijl je rustig in en uit ademt zal je merken dat je rustiger wordt en zal … (onderzoek/behandeling) makkelijker en sneller gaan.’ ‘Rustig maar, het komt goed!’
‘Ik benieuwd hoe goed dit bij jou werkt.’ ‘We hopen….’ (hoeft dus niet te lukken).
‘Je zult verbaasd zijn hoe makkelijk het gaat als …bijvoorbeeld jij goed naar de tovervogel op je vinger kijkt en hem laat vliegen/jij me vertelt wat er allemaal op jouw filmpje te zien is.’ ‘Ik ben benieuwd of je er iets van voelt.’

Het is zo klaar!’

Herkader pijn/andere klachten

Wel doen Niet doen
‘Je zult verbaasd zijn hoe snel je arm weer goed voelt na ….‘
‘Je zult benieuwd zijn hoe snel je je beter voelt.’
‘De prik doet maar even pijn.’
‘Iedereen ervaart (…) anders, ik ben benieuwd wat jij ervan vindt/hoe jij het ervaart’. ‘Veel mensen worden hier heel duizelig van/de meeste mensen vinden het een pijnlijke prik.’

‘Ja, sorry hoor, deze pijn is echt ff gemeen, ja.’

Als je de sensatie wil benoemen:
‘Kietelend, schurend, tintelend’
‘Brandend, prikkend, pijnlijk, doet pijn, slecht, naar, gemeen, verschrikkelijk’
‘Als er iets is, laat het dan weten. Dan kan ik je helpen.’ ‘Je kunt hier misselijk van worden. Hier heb je alvast een spuugbakje.’

Evaluatie

Altijd evalueren want hiermee construeer je een juiste herinnering en vergroot je het vertrouwen in toekomstige medische handelingen.

Wel doen Niet doen
‘Ik ben benieuwd of je vandaag of morgen of heel binnenkort…’ (en dan een positieve verandering noemen) ‘Ik hoop dat je je morgen beter/blijer zult voelen dan nu.’
‘Het is goed gegaan.’ ‘Ja, sorry, dat was pijnlijk hè, maar je hebt het wel goed gedaan.’
‘En hoe vond jij het gaan?’ ‘Tot de volgende keer, ga maar lekker naar huis.’

Bron: Heel de Huid (NVDV, Utrecht, Nederland). December 2021.
Fotografie: Roos Koole